‘Ik kan me niet voorstellen hoe het is om geen motor te hebben’
60 jaar Suzuki in Nederland - Suzuki Stories: Jan de Bruijn
Suzuki bestaat 60 jaar in Nederland. Dat is 60 jaar aan bijzondere verhalen. Zoals dat van Jan de Bruijn, een van onze meest trouwe rijders die vroeger alleen stopte om te tanken en te roken. Lees zijn Suzuki Story.
Jan de Bruijn stuurde ons een prachtige collectie foto’s van de motoren die hij allemaal heeft gehad. We werden er een beetje nostalgisch van; Jan's foto’s bestrijken bijna de hele geschiedenis van Suzuki in Nederland. Jan, je bent een van onze meest trouwe rijders. Vertel ons eens over je liefde voor Suzuki.
‘Dat klopt, ik ben erg merktrouw, ik rijd al bijna vijftig jaar bijna uitsluitend Suzuki. Al op mijn zestiende stond mijn eerste motor, een Suzuki GT250, geduldig te wachten in de schuur. Ik had toen natuurlijk nog geen rijbewijs, al reed ik weleens stiekem een rondje door mijn woonplaats Tilburg. Weet je, in die tijd -we hebben het over eind jaren zeventig- reed iedereen een brommer met versnelling. Je wist dus al hoe je moest schakelen. Een motorrijbewijs halen was toen nog vrij eenvoudig. Je ging naar het politiebureau waar je een aantal behendigheidsproeven moest afleggen. Ik weet het nog goed – ik moest achtjes draaien en een noodstop maken. Vervolgens kreeg ik een L-plaat, waarmee ik de weg op mocht zolang ik binnen de Ringbaan van Tilburg bleef. Als ik verder weg wilde moest ik afstappen hahaha. Het echte rijbewijs halen was simpel: ik had maar drie lessen nodig om te slagen.'
Het was natuurlijk een heel andere tijd, met minder verkeer. Maar toen je eenmaal je rijbewijs had mocht je eindelijk de wijde wereld in…
‘Nou en of en daar heb ik volop van genoten. Ik bezocht in die jaren veel races. Ik heb alle grote namen gezien, ook de Grote Drie: Wil Hartog, Boet van Dulmen en Jack Middelburg. Het was een geweldige tijd. Ik herinner me dat we na een race in Italië een pizza zaten te eten en dat een van die mannen gewoon naast ons op het terras kwam zitten. De handtekening heb ik nog – op het vettige papiertje dat onder de pizza zat! Het was allemaal heel vrij, je kon gewoon in het rennerskwartier komen.
In die tijd zat ik dag en nacht op de motor. We reden rustig in een weekend op en neer naar Imola om een race te bezoeken. We stapten vrijdagochtend vroeg op en kwamen daar dan aan het einde van de middag aan. We reden aan één stuk door en stopten eigenlijk alleen om te tanken en te roken. Het waren écht andere tijden en ik was nog jong. Tegenwoordig doe ik het wat rustiger aan. Ik geniet meer; mijn partner zit achterop en we pakken de mooie kronkelweggetjes in plaats van de snelweg. Maar als ik eerlijk ben vind ik een terrasje pakken eigenlijk nog altijd een onderbreking van de rit.’
…maar hoe kwam je eigenlijk bij Suzuki terecht?
‘Op mijn zestiende raakte ik bevriend met iemand uit de buurt die een Suzuki T200 had. Ik mocht weleens mee achterop en was meteen verkocht. Onze vriendschap heeft mijn passie voor motoren aangewakkerd. We kwamen in die tijd veel bij Toon en Helmy Hoes, destijds een bekende naam in motorrijdend Tilburg. Ik vond de Suzuki’s betaalbaar en de prestaties goed, dus er was geen reden om van merk te veranderen. Ik heb enorm veel verschillende modellen gehad, maar ik had een zwak voor de Suzuki Bandit. Ik heb een aantal 650 cc Bandits gereden en ben op een gegeven moment overgestapt naar een heel krachtige 1250 cc Bandit. Die heb ik wel 12 jaar gehad. Ik heb ook een Katana gehad, maar daarmee heb ik helaas een aanrijding meegemaakt. Ik had zelf niets, maar de motor was total loss…’
Oei!
‘Motorrijden is niet zonder risico, je bent veel kwetsbaarder dan in een auto. Ik heb weleens incidenten meegemaakt, maar als je het afzet tegen het aantal kilometers dat ik heb gereden valt het mee hoor. Ik deed vroeger álles op de motor, woon-werkverkeer, vakanties, noem het maar op. Ik ben inmiddels met pensioen, maar ik rij nog altijd zo’n 8.000 kilometer per jaar.’
Dat zijn heel wat kilometers - en je hebt nooit pech gehad?
‘Eén keer, in het allereerste begin. Ik kwam zonder stroom te staan – er was iets met de dynamo. We hebben de accu omgewisseld en zo ben ik veilig thuisgekomen. Maar verder is stilvallen eigenlijk vreemd voor mij. Tegenwoordig zijn eigenlijk alle motoren wel goed, maar vroeger waren er nog echt verschillen. Misschien dat ik daarom ook wel trouw ben gebleven aan Suzuki: ook in die begintijd waren het fijne motoren waar je van op aan kon. Ik heb altijd erg van die oude modellen genoten. Soms kriebelt het weleens, dan denk ik: ik zou er best een klassieke motor naast willen. Het liefst mijn eerste eigen motor, de Suzuki GT250 uit 1973. Maar ik heb geen stallingsruimte en bovendien het gaat mij om het rijplezier. Vroeger wilde iedereen een steeds snellere en krachtigere motor. Van 250 cc naar 500, 750, 1000…. Maar tegenwoordig zie je juist weer meer lichtere en betaalbare motoren. Zelf ben ik ook teruggegaan naar 650 cc. Mijn moderne Suzuki SV650 is net zo krachtig als de motoren uit de jaren negentig en hij rijdt minstens zo leuk. Ik heb het grotere vermogen nooit gemist. Nee, ik kan me niet voorstellen hoe het is om geen motor te hebben.’